Zoals reeds lang van tevoren was aangekondigd door de organisator van het festijn, de heer K. Martens, was de laatste gelegenheid tot voorbereiding om half negen 's avonds, zodat om kwart voor negen de breinbraaksels en vingervondsten der deelnemers stonden te schitteren in het kunstlicht, van opschrokking nog slechts weerhouden door de bovenmatige zelfbeheersing van de aanwezigen. Werkelijk het hele dessertspectrum van de wereld (en nog meer) stond uitgestald op de tafelementen van De Zwervers. Martens begon te spreken.
‘Geachte aanwezigen, dames, heren; bij dezen heet ik u welkom op het Martinistamtoetjesgala. Zoals u ziet bent u omringd door 's werelds grootste desserts-crititci alsmede de beste koks; ja u kunt zich wanen in de hoogste culinaire kringen en zich er geen moment voor schamen! Maar als altijd zal de sfeer geen gezellige zijn, neen, knusse vriendschappelijkheid zal ons ook vanavond niet ten deel vallen. Wij strijden om de overwinning en wel op leven en dood! Ik heb voor u hier een beoordelingsformularium met daarop de namen van koker en daarnaast een stukje wittigheid waar u uw cijfer kunt neerpennen. De cijfers zullen vallen tussen 1 en 9, en verder mag u nog gebruik maken van het getal tien. Uiteindelijk zal ik aan het rekenen slaan en de einduitslag bekendmaken - maar nu eerst: eten!'
De laatste klanken hadden zijn mond nog niet verlaten of de meute wierp zich brullend op de weerloze lekkernijen. Links werd een tiramisu hevig gepenetreerd, terwijl ernaast walgnootappelflappen uitgekleed en leeggezogen werden; gelijktijdig stortten zeker vier personen zich op een reusachtige zwarte chocolademousse die roemloos ten onder ging - een witte soortgenoot onderging hetzelfde lot en een tweede zwarte, die zich vertonen durfde, moet het eveneens ontgelden: een slachting. Dan de
|
|
bavaroises! Keer op keer onteerd door de aanwezigen, zowel de gele als de blanke. Niets dan lillende hoopjes troosteloosheid bleven ervan over. Hetzelfde lot bleef geen van de aanwezige nagerechten bespaard: verzwolgen werden de gelatineuze vruchten, gefrituurde ijbolletjes, witte-chocolademousse en appelbakjes, verzwolgen door de wijdopengesperde Martinistammuil, vermalen door het bijgeleverde kakement.
Toen de gemoederen enigszins bekoeld waren restte er van de uitstalling niets meer dan een verbrokkelde hoop doodsheid. Dood-ie-dood. Overal in het rond lagen Martinistammers, met gezwollen pensen en puilende magen. ‘Ik zit tot hier toe vol!' zei iemand die wees op zijn strotklepje. ‘Niets meer kan er bij!' ‘Kolder!', wierp een ander tegen, ‘ik zit ook tot daar vol, maar opgeven? Geen moment aan gedacht! Van achteren is er nog zeker zes meter ruimte, oape!' ‘O ja?' luidde het antwoord. ‘ Bewijs maar dat je vol zit, anuseter!' ‘ Hoe noem je mij?!' klonk het van elders. ‘Hoe noem je mij?!!' En van weer een andere kant: ‘Je moeder zul je bedoelen!' Een ogenblik later was van de doodse rust weinig meer over. Overlag vlogen onidentificeerbare stukken eten en mens door lucht, bloed en vruchtensap en bowl mengden zich aan de muur en het plafond. Ware het niet dat er af en toe reinigend harde dreun aan de verlichting werd verkocht, dan zou na luttele minuten de ruimte al in inktzwarte duisternis gehuld zijn geweest.
Op dat moment maakte uw verslaggever zich schaars. Hoe het hele gebeuren precies is afgelopen, kan ik u dan ook niet met zekerheid vertellen. Was er een winnaar? Allemaal winnaars? Of alleen maar een stelletjes verliezers? Waarschijnlijk zullen we het nooit weten. Nooit-ie-nooit.
|